In het kamp had eens een incident plaats dat ik me nog goed kan herinneren: twee krijgsgevangenen hadden brieven van de vrouwen van medegevangenen het kamp binnengesmokkeld. Ze vroegen hier geld voor, maar daar deze geen geld hadden, hebben ze de brieven verscheurd. De majoor Hoed kwam dit te horen en hij heeft de twee gestraft. Ze mochten kiezen tussen vijf stokslagen of een vuistgevecht met een sterke man uit het kamp. Celstraf had in die tijd toch geen zin daar we toch al gevangen zaten.
Een van hen koos voor stokslagen, de andere voor een gevecht. Die voor het gevecht had gekozen was de slimste, bij de eerste slag liet hij zich vallen en deed net of hij bewusteloos was. De ander heeft een paar dagen niet goed kunnen zitten.
Naar ik later hoorde heeft de majoor na de oorlog nog moeilijkheden gehad met de legerleiding omtrent dit voorval. Mijns inzien heeft hij toen de juiste beslissing genomen.
Wij hadden reeds gauw in de gaten dat dit kamp een doorvoerkamp was. Soms kwamen er groepen bij, dan weer werden groepen afgevoerd, met onbekende bestemming.
Spoedig was een groep, waar ik ook toe behoorde, aan de beurt om te vertrekken. Per geblindeerde trein gingen we op reis. We wisten niet waarheen.
Op de plaats van bestemming aangekomen zagen wij dat dit Batavia was. We moesten toen te voet naar ons nieuwe kamp, het bleek de kazerne van het 10e Bataljon te zijn.
De bewoners van het kamp maakten op mij een sombere indruk. Ook in het hele kamp heerste een bedrukte stemming. Al heel gauw beseften wij hoe dat kwam.
Beul De Japanse commandant was de luitenant Sone, die later bekend zou worden als de beul van het vrouwenkamp “Cideng”. Voor zijn daden is hij na de oorlog als oorlogsmisdadiger ter dood veroordeeld.
In het kamp werd door de Japanse soldaten veel geschreeuwd en geslagen. Wij moesten voor iedere Japanse militair een diepe buiging maken als ze voorbij kwamen. Was het niet naar hun zin dan volgden een paar meppen met de kolf van het geweer.
Wij hadden ook veel last van de grillen van Sone die vaak ‘s nachts dronken binnenkwam in het kamp. Hij maakte dan iedereen wakker en sloeg met een stok als een wildeman om zich heen.
Vaak moesten we midden in de nacht aantreden en uren in de houding staan. Hij hield dan controle of het haar wel kort genoeg was geknipt. Wee de gene wiens haar naar zijn zin te lang was. Hij sloeg dan met alles wat hij op dat moment in zijn hand had en meestal op je hoofd. Zelf heb ik ook een klap met een nijptang op mijn hoofd gehad, ondanks dat mijn hoofd glad was geschoren.
In dit kamp zaten ook Gouverneur-generaal van Indië en een aantal hoge officieren van het KNIL. Hun gedeelte was door van een hek van ons gescheiden. Ze moesten net als wij voor iedere Japanse militair een buiging maken.
Op een dag brak er dysenterie uit in het kamp, wat een aanslag op de weerstand van ons lichaam betekende.
Ook ik kreeg deze ziekte en ik woog na enkele dagen nog maar 40 kilo. Het enige voordeel van deze ziekte was dat je geen last had van de Japanners: ze waren als de dood voor deze ziekte. Door een kuur van bitterwater (laxeermiddel) en kruiden (obat sriyawan) was ik binnen twee weken genezen.
Na een verblijf van ongeveer twee maanden in dit kamp moesten wij weer vertrekken. We werden weer met een geblindeerde trein vervoerd en hadden geen flauw idee waar de reis nu weer heen ging. De treinreis duurde bijna een dag, en ging via Jokja naar Surabaya. Al die tijd hadden we geen eten gehad en werden als vee vervoerd.
In Surabaya werden we in de voormalige HBS geïnterneerd. In dit kamp ontmoette ik weer mijn vriend Van Steenbergen, die ik een half jaar daarvoor in Cimahi was kwijtgeraakt. Van hem hoorde ik dat wij hier niet lang zouden blijven. Het was een komen en gaan van groepen krijgsgevangenen. Ondanks het slechte eten was het leven in dit kamp veel dragelijker dan in het vorige kamp.
Verscheping naar Singapore Na een verblijf van een paar weken werden we naar de haven van Surabaya gebracht, en ingescheept op May Basu Maru. We werden verdeeld over enkele ruimen van het schip.
In de ruimen stonden rekken met ligplaatsen, dat waren onze slaapplaatsen.
Er waren echter niet genoeg slaapplaatsen, zodat velen op een plaats in het gangpad of op de trap moesten slapen. Ook hier waren veel dysenteriepatiënten vaak alles lieten lopen, omdat de wc boven aan dek stond en ze geen kracht hadden om de trap te beklimmen. Spoedig was het dan ook een vuile boel.
De sterken onder ons probeerden de zaak zo schoon mogelijk te houden. De volgende dag stonden we in de haven van Batavia, waar de ergste zieken van boord werden gehaald. Ondertussen was het uitgelekt dat we naar Singapore zouden gaan. Op 9 februari 1943 kwamen wij vies en vuil en onder de luizen aan in Singapore.
We werden met vrachtauto’s naar een groot legerkamp van de Engelsen gebracht. Dit kamp heette Changi en was heel groot. Het lag heel prachtig aan de straat van Johore. Er waren daar Engelsen, Australiërs, Nederlanders en Brits-Indiërs. Het kamp was verdeeld in verschillende sectoren en het was verboden zonder toestemming naar een andere sector te gaan. De Engelsen waren er de baas en via hen werden ook de rantsoenen verstrekt. De Engelsen hadden de beste plaatsen voor zichzelf behouden. Ook waren zij nog in het bezit van hun bezittingen, in tegenstelling tot onze mensen die door de vele verplaatsingen veel van hun bezittingen waren kwijtgeraakt.
Van de Japanners hadden we hier geen last want die bleven buiten het kamp. De Engelsen hadden een eigen ordedienst die toezicht hield in het kamp.
In het begin hadden velen van ons last van luizen, maar die waren gauw verdwenen na een behandeling met zalf. Het eten was niet zo best en velen kregen dan ook last van vitaminegebrek, beriberi of andere kwalen. Een veel voorkomende ziekte was “burning-feet”. Het was net of je voeten in brand stonden, vooral 's nachts had men er veel last van. Men zag dan ook vaak mensen met hun voeten in een bak water zitten.
Om aan de nodige groenten te komen, zochten wij naar in het wild groeiende gewassen, zoals krokot (postelein) en de bladeren van de kembang-sepatu (hibiscus).
Aan ontspanning werd in dit kamp nog wel gedaan, zoals cabaret en toneeluitvoeringen met als vrouwen verklede mannen. Vaak hadden de Japanners die kwamen kijken, er moeite mee om te geloven dat het mannen waren, en er volgde dan ook een onderzoek hiernaar.
Verscheping naar Japan We moesten ook wel eens hout gaan halen voor de keuken, dit deden we met vrachtauto’s waarvan de motor en laadbak waren verwijderd. In de plaats van de bak was een houten platform op het chassis gemonteerd. Het hout moest op een hoger gedeelte van het kamp worden gehaald. De wagens werden dan met mankracht de helling opgetrokken en volgeladen met takken en boomstammen. Bij de afdaling had men alleen de beschikking over het stuur en de remmen. De afdaling ging dan ook wel eens met een te grote snelheid, wat tot ongelukken leidde.
Op 2 april 1943 moest een groep van ongeveer 900 man met hun bezittingen aantreden, Van Steenbergen en ik hoorden hier ook bij. We hadden reeds geruchten gehoord dat we naar Japan zouden worden gebracht, maar niemand geloofde dit echt. We werden in de haven van Singapore ingescheept op de Hawii-Maru. De groep werd verdeeld over het voor- en achterschip en ondergebracht in beide ruimen, die eender waren ingericht als het vorige schip waarmee we naar Singapore waren gebracht.
Dit schip was wel wat groter, zodat iedereen een ligplaats had. Boven aan dek waren aan de reling houten hokken geplaatst met een goot die buitenboord stak.
Dit waren onze toiletten die een paar keer per dag met een krachtige waterstraal werden schoongespoten. We mochten af en toe aan dek komen: om je behoefte te doen of om eten te halen.
De bovenste laag van het ruim was onze verblijfplaats en het onderste gedeelte was gevuld met zakken suiker en vrachtauto’s, waarschijnlijk afkomstig uit de bezette gebieden.
De boven elkaar geplaatste slaapplaatsen gaven vooral voor de dysenteriepatiënten die boven lagen nogal problemen. Ze lieten dan ook vaak, als ze niet snel genoeg een pannetje konden pakken, hun ontlasting zo maar lopen.
Naarmate de zee ruwer werd, hadden we ook te maken met zeeziekte, waardoor de smeerboel nog groter werd. De gezonden onder ons probeerden zoveel mogelijk de zaak schoon te houden. Bij de toiletten waren tonnen met een ontsmettingsmiddel (Sublimaat) geplaatst om je handen te wassen. Dit middel is normaal blauw gekleurd maar het Japanse spul was theekleurig. Er is dan ook eens een vergissing gemaakt met thee, waarvan de tonnen daar ook in de buurt stonden. De mensen die uit de verkeerde ton hadden gedronken moesten hun maag laten leegpompen.
De reis ging via Saigon (5 april) en Taiwan (15 april) naar Modji (Japan).
Broodjes In Saigon hoorden we dat een krijgsgevangene was ontsnapt, die daar voor de oorlog had gewoond. Of hij de vlucht had overleefd weet ik niet, daar men nog een eindje moest zwemmen om de kust te bereiken.
We kregen slechts tweemaal per dag wat waterige rijst, waardoor velen zich zo slap voelden dat ze haast niet meer van hun slaapplaats afkwamen. Tijdens de reis zijn enkele krijgsgevangenen overleden en hebben een zeemansgraf gehad.
De gezondheidstoestand aan boord werd steeds slechter. De reis had dan ook niet langer moeten duren, anders waren er nog meer slachtoffers gevallen.
Op 24 april 1943 kwamen wij aan in Modji. Het was lente en de kersenbomen stonden in bloei, doch daar hadden we niet veel oog voor. We waren veel te moe en ziek van de doorstane ontberingen.
In Modji werden wij verdeeld in groepen van 300 man en naar een gebouw gebracht waar broodjes werden uitgedeeld. Deze smaakten uiteraard veel beter dan de waterige rijst die we 3 weken lang moesten eten. Hierna moesten we naar het station lopen. Onderweg hadden we veel bekijks van de plaatselijke bevolking. Ze lachten ons uit en riepen allerlei woorden die we gelukkig niet verstonden.
Bij onze groep waren een aantal officieren, o.a. Lt.Aalders – LtHooyer en de vaandrig Jolly. Per trein zijn wij daarna vervoerd naar Nagasaki, waar we van het station naar het kamp moesten lopen. Ook hier hadden we veel bekijks en werden we uitgelachen. Het kamp lag tussen de fabrieken, niet ver van het station af.
KAMP FUKUOKA 14
Nadat we in het kamp waren aangekomen, kregen wij een toespraak van de Japanse kampcommandant, die door een tolk in het Engels werd vertaald. Wij waren erg verbaasd over de opbeurende woorden die hij sprak.
Hij zei dat hij hoopte dat we weer spoedig met onze familie herenigd zouden worden.
Hierna kregen we een heerlijke maaltijd, met veel Japanse gerechten, die we ons goed lieten smaken.
Het kamp was ingedeeld in verscheidene kamers, negen voor ons en een kamer voor de officieren. Verder was er nog een verblijfplaats voor de Japanse militairen, een keuken, een magazijn, kantoor, ziekenverblijf, badgelegenheid en toiletten.
Iedereen zocht zoveel mogelijk vrienden en familie bij elkaar en verdeelden zo de kamers. Van Steenbergen en ik kwamen zo in kamer 8 terecht, die aan het levensmiddelenmagazijn grensde, dit kwam ons later goed van pas.
De bewoners van iedere kamer werden op alfabetische volgorde genummerd, te beginnen met kamer no.1. Zo had ik nummer 254 en mijn vriend Van Steenbergen nummer 255.
Deze nummers moesten we gedurende onze gevangenschap goed zichtbaar op onze kleding en hoofddeksel dragen. We werden door de Japanners met dit nummer aangeroepen.
In de kamers waren tegenover elkaar twee stellages geplaatst, met boven en onder slaapplaatsen, en aan het hoofdeinde een open kastje. Tussen twee stellages waren lange tafels met zitbanken geplaatst. In elke kamer lagen gemiddeld 32 man. Tussen twee rijen kamers was een open ruimte, waarin twee bakken (vuurpotten) waren geplaatst, die voor de verwarming dienden. Later kwamen wij erachter dat ze zelden zouden worden gebruikt.
We kregen elk twee afgedankte leger uniformen van het Japanse leger en een paar rubberen schoenen, met een aparte ruimte voor de grote teen en daarbij idem dito sokken. Ook kregen wij een pet met daar dwars overheen een rode band, zodat we goed opvielen tussen het andere werkvolk.
De officieren mochten elk een toban (bediende) hebben. Zo koos lt. Aalders zijn jongere broer en Lt. Hooyer zijn zwager Vdg. Jolly.
Verder waren er nog mensen voor de keuken, een kleermaker, een schoenmaker (Joop Onken), een timmerman (Groen) en een stoker (Molemans) voor de ketels. De stoom was nodig voor de kookpotten in de keuken en de verwarming van het badwater.
Deze personen hadden, vergeleken met ons die naar de scheepswerf moesten, een goed leven.
Na een paar dagen van rust was het zover dat we naar de werf moesten. De scheepswerf lag ongeveer 5 km van ons kamp, en wij moesten iedere dag heel vroeg in de ochtend te voet daar naar toe. We hadden slechts twee zondagen per maand vrij, die we voornamelijk gebruikten om onze vuile kleren te wassen.
In het begin was het voedsel niet slecht, en de Japanse commandant was een redelijk mens.
Maar dat duurde niet lang; we kregen een andere commandant die we zelden zagen. De oudste onder- officier, de sgt. Majoor Tanaka nam voor hem waar. Het rantsoen werd ook verminderd en de kwaliteit werd ook slechter. De Lt. Aalders was de Nederlandse commandant, die een goed mens was maar we hadden niet veel contact met hem.
Daar er in ons kamp geen dokter of verplegers waren, kregen wij uit kamp Fukuoka 2, een dokter en twee verplegers. Dit waren dokter Huisman en de verplegers Schenkhuizen en Denkelaar.
Kamp 2 lag op een eiland vlak voor de kust van Nagasaki. Het was een groot kamp van ongeveer 1.500 man, bestaande uit Nederlanders, Engelsen en Amerikanen. Later kregen wij nogmaals een aanvulling van twaalf man, afkomstig uit de mijnstreek ten noorden van Nagasaki.
Vlak na aankomst in Nagasaki waren er reeds van de 300 man, drie overleden en maand later weer vijf man.
We werden iedere dag om 05.30 uur afgemarcheerd door de soldaten van ons kamp, en bij de werf overgenomen door de marinemensen.